“Een schoolgebouw is in de eerste plaats een instrument voor beter onderwijs”
U bent al vijftien jaar actief in de scholenbouw. Wat houdt u daaraan geboeid?
“Wat mij boeit, is dat scholenbouw verschillende zaken tegelijk samenbrengt. Het gaat over ontwerp, over bouw, over vastgoed, over techniek, maar vooral over maatschappelijk engagement. Een schoolgebouw op zich is geen eindproduct. Het moet onderwijs mogelijk maken: flexibel, inclusief, klasoverschrijdend en verbonden met de omgeving. Een geslaagde school herken je daarom niet aan de foto bij de oplevering, maar aan het feit dat ze op maandagochtend moeiteloos tot leven komt. Als een directie jaren na de oplevering nog altijd fier is op haar gebouw, weet je dat het ontwerp niet alleen op papier werkte, maar ook in het echte schoolleven. Uiteindelijk moet een schoolgebouw impact hebben op het onderwijs en op de toekomst. Wij zeggen daarom altijd: we bouwen geen school, we bouwen aan de toekomst van de Vlaamse jeugd.”
Philippe Monserez (AG Real Estate)
Wat is volgens u de belangrijkste verdienste van Scholen van Morgen, los van de cijfers?
“De belangrijkste verdienste is dat we hebben aangetoond dat grootschaligheid en maatwerk kunnen samengaan. Elk project is vertrokken vanuit de eigen pedagogische visie en lokale context. Daardoor was elk project uniek. Tegelijk hebben we het programma zelf zeer professioneel en gestandaardiseerd aangepakt. De Education Funding Agency in Engeland noemde het destijds een ‘shining example of mass customization’. ‘Mass’ staat voor het gestandaardiseerde, procesmatige en gestructureerde karakter, terwijl ‘customization’ staat voor de 182 unieke projecten. Ik heb mijzelf verplicht om bij presentaties telkens met een quote of een knipoog te proberen uit te leggen wat we deden: ‘We hebben niet 182 keer dezelfde school gebouwd, maar wel 182 keer dezelfde ambitie georganiseerd’.”
De oorspronkelijke planning liep uiteindelijk langer door dan voorzien. Waar zat die vertraging volgens u?
“Daar bestaat toch een verkeerde perceptie over. In 2016 werd op federaal niveau de btw op scholenbouw verlaagd van 21 naar 6 procent. Scholen van Morgen bestond oorspronkelijk uit 165 projecten. Een groot deel daarvan werd geconcentreerd opgeleverd: ongeveer honderd scholen in 2016 en nog eens een vijftigtal in 2017. Toen er nog amper drie scholen in uitvoering waren, kwamen daar door de btw-verlaging nog zeventien projecten bij. Die moesten dus nog helemaal vanaf nul worden opgestart en zijn bovendien in een zeer korte periode uitgevoerd. Als je dat op een curve uitzet, krijg je eerst een grote piek en vervolgens nog een klein stukje erachter. Dat heeft mee de perceptie van een structurele vertraging gevoed. Elk project heeft natuurlijk zijn eigen kritieke pad. Je kunt programmatorisch en met een uniforme planning werken, maar elk individueel project blijft zijn eigen traject hebben. Ik begrijp dus waar die perceptie vandaan komt, maar de vertraging was niet structureel het gevolg van de aanpak van Scholen van Morgen. Ze was voor een belangrijk deel het gevolg van het feit dat het programma de opportuniteit van de btw-verlaging heeft opgenomen.”
AGION heeft het programma geëvalueerd. Welke kritiek uit dat evaluatierapport vindt u terecht?
“Men signaleert onder meer complexiteit, een lange voorbereiding en administratieve belasting. Dat klopt. DBFM (Design-Build-Finance-Maintain) is geen lichte brochure. Je gaat engagementen aan voor dertig jaar en draagt gedurende die periode ook risico’s en verantwoordelijkheden. Dat maakt het concept per definitie complexer.
De belangrijke nuance is dat een DBFM-contract niet zomaar naast een klassieke bouwkost mag worden gelegd. In een DBFM zit niet alleen de bouwkost, maar ook financiering, risico-overdracht en dertig jaar preventief en curatief onderhoud, alsook vervangingsonderhoud. Na die dertig jaar wordt de school ter beschikking gesteld van het schoolbestuur in een toestand die contractueel en technisch is vastgelegd. Als je dat vergelijkt met alleen een netto bouwkost, vergelijk je appels met peren.”
Heeft u de lessen uit die evaluatie meegenomen naar Scholen van Vlaanderen?
“Absoluut. We hebben het evaluatierapport niet in een lade gestopt, maar gebruikt als een stuk huiswerk voor Scholen van Vlaanderen.”
Alle projecten van Scholen van Morgen zitten inmiddels in de onderhoudsfase. Komen er na tien jaar gebreken of materialen naar voren die minder duurzaam blijken dan gehoopt?
“Wat we in elk geval geleerd hebben, is dat duurzaamheid veel verder gaat dan de eigenschappen van een specifiek product. Het gaat over hoe een product in het ontwerp wordt gecombineerd, hoe het wordt uitgevoerd, hoe het wordt onderhouden en hoe het gebouw wordt gebruikt. Intensief gebruik betekent uiteraard meer slijtage. Dat heeft gevolgen voor onderhoud en bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van wisselstukken. Ik denk daarom niet dat we vandaag kunnen zeggen dat we een zwarte lijst hebben van producten die we nooit meer willen gebruiken. Je moet veel meer kijken naar de combinatie van ontwerp, uitvoering, onderhoud en gebruik. Ook de manier waarop leerlingen met een gebouw omgaan, speelt een rol. Ik kreeg bijvoorbeeld het voorbeeld van een vluchtdeur met een horizontale stang die in bepaalde kleuter- en lagere scholen als turnstang wordt gebruikt. Kleuters kunnen inderdaad heel veel kapot krijgen. Maar dat is geen excuus om te zeggen dat het product niet goed genoeg was. Het product moet goed zijn, punt. Dat is tegelijk een voordeel van het DBFM-model. Omdat onderhoud deel uitmaakt van het contract, word je bij ontwerp en uitvoering verplicht om over de levensduur na te denken. Neem bijvoorbeeld een deurscharnier. Je kunt een goedkoop scharnier plaatsen of een veel degelijker exemplaar. Als je weet dat je het gedurende dertig jaar moet onderhouden, ga je automatisch anders naar die keuze kijken.”
Wat krijgt een schoolbestuur na dertig jaar in handen?
“Contractueel en operationeel is voorzien dat het gebouw goed onderhouden wordt en functioneel blijft. Dat wordt ook geobjectiveerd via de Nederlandse norm NEN 2767, waarbij de conditie van gebouwonderdelen wordt beoordeeld. Bij de start wordt een zeer hoge kwaliteit vooropgesteld. Na dertig jaar moet de school nog een conditie-score 3 halen. Dat betekent dat bepaalde elementen een normale degradatie kunnen vertonen, maar dat het gebouw als geheel nog steeds aan de vooropgestelde conditie voldoet. Dat is behoorlijk streng.”
Wordt de energieprestatie van de scholen effectief gemeten en teruggekoppeld?
“Ja. Water, gas en elektriciteit worden continu gemonitord. We kijken niet alleen naar het absolute verbruik, maar vergelijken ook scholen met elkaar. Met 182 scholen hebben we een soort eigen referentiekader. Als een lagere school bijvoorbeeld dertig procent meer verbruikt dan vergelijkbare scholen, is dat een signaal dat onderzocht moet worden. Daar kan een perfect logische verklaring voor zijn. Misschien wordt de sporthal plots elke avond en het hele weekend gebruikt. Omgekeerd kunnen we ook zien dat een school twintig of dertig procent minder verbruikt. Dan blijkt bijvoorbeeld dat er zonnepanelen zijn geplaatst. Monitoring is dus belangrijk, maar je moet het verschil begrijpen tussen de theoretische prestatie van een gebouw en het werkelijke gebruik. Een energieprestatiemodel vertrekt van bepaalde aannames. Een echte school houdt zich daar niet altijd aan. Een model heeft bijvoorbeeld nooit een raam opengezet, terwijl dat in een echte school natuurlijk wel gebeurt. Als gedurende een hele week de ramen openstaan, zal dat gevolgen hebben voor het energieverbruik, maar dat zit niet noodzakelijk in het theoretische model. Energie-efficiëntie kun je daarom niet in één cijfer vatten. Het ene cijfer zegt hoe het gebouw ontworpen is, het andere hoe het werkelijk wordt gebruikt. Het is net door die afwijkingen te monitoren dat je kunt bijsturen.”
Neemt u een en ander mee uit Scholen van Morgen naar Scholen van Vlaanderen?
“Het antwoord is ja én neen. We recupereren de rol van de bouwheer, de individuele benadering van elk project, kwaliteitsbewaking en langetermijnvisie. Bovendien hebben we intussen een soort inspiratiebank met 182 projecten. Daarmee kunnen we tonen wat mogelijk is en projecten op een creatieve manier uitdagen. Maar we hebben ook bewust een aantal zaken anders aangepakt. De 29 projecten worden individueel opgestart. Er wordt niet meer geclusterd of gebundeld. Schoolbesturen worden nog sterker betrokken, onder meer bij de keuze van architect en aannemer. Een derde verschil is dat we de aannemer vroeger in het proces aan tafel brengen, in een bouwteam. De architect krijgt aanvankelijk voldoende ruimte voor creativiteit, maar we willen zo snel mogelijk ook de uitvoerings- en onderhoudskennis van de aannemer betrekken. Ons uitgangspunt richting overheid was daarom: een doordachte evolutie, geen revolutie.”
Render Scholen van Vlaanderen
Render Scholen van Vlaanderen
Render Scholen van Vlaanderen
Render Scholen van Vlaanderen
Hoe ver staat perceel 1 vandaag?
“Op dit moment zijn de architecten geselecteerd. Zij hebben gedurende drie à vier maanden gewerkt aan een offerte-aanvraagdossier. Dat is naar de aannemers gestuurd. Alle 29 scholen worden momenteel door aannemers becijferd. We verwachten nu de eerste offertes voor de eerste school.
In de daaropvolgende acht tot twaalf weken verwachten we de offertes voor alle 29 scholen. Zodra de aannemer gekozen is, start het bouwteamproces. Dat moet uiteindelijk leiden tot het vergunningsdossier.”
In het programma zit ook buitengewoon onderwijs. Wat vraagt dat bouwkundig anders?
“Voor buitengewoon onderwijs bestaan geen standaardrecepten. We hebben daar vanuit Scholen van Morgen al ervaring mee, maar het blijft een zeer specifieke doelgroep met een specifieke pedagogische werking. Bovendien is het buitengewoon onderwijs zelf zeer divers. Je moet bijvoorbeeld rekening houden met prikkelarme zones, akoestiek, specifieke circulatie, verzorgingsruimtes, aangepast sanitair, voldoende ruimte voor begeleiders en aangepast meubilair. Je moet heel diep inzoomen op de materie, zowel bij het opstellen van de projectdefinitie als bij het ontwerp. De architect moet zich echt inleven in de schoolwerking. Het is bijna alsof je in een film meespeelt. De belangrijkste ontwerpregel is daarom: luister. Luister naar de directie, de leerkrachten, het zorgteam, de leerlingen en de ouders. Je moet begrijpen hoe de schooldag daadwerkelijk verloopt voor die specifieke doelgroep.”
Scholen van Vlaanderen omvat voor het eerst ook kunstacademies. Is dat een bijkomende uitdaging?
“Dat is inderdaad nieuw. In Scholen van Vlaanderen zitten vier kunstacademies en de Koninklijke Balletschool in Antwerpen. Dat is een nieuw type gebouw en dus ook een nieuwe ervaring binnen het programma.”
Het Team Vlaams Bouwmeester begeleidt de projectdefinities en gunningen. Komt de architecturale ambitie soms onder spanning te staan met het DBFM-budget?
“Architecturale ambitie en budget staan soms onder spanning. Maar die spanning hoeft niet noodzakelijk ongezond te zijn. Het gaat erom samen te beslissen welke kwaliteiten essentieel zijn.
Bij de evaluatie kijken we trouwens niet alleen naar architectuur. Ook duurzaamheid, samenwerking, de kwaliteit van de projectdefinitie, het antwoord daarop en natuurlijk de financiële randvoorwaarden spelen een rol. De kunst is niet om ambities weg te besparen, maar om ze zo slim mogelijk te behouden en tegelijk betaalbaar te maken, zowel in bouw als in onderhoud.”
DBFM krijgt geregeld het verwijt duurder te zijn en de rekening naar de toekomst te verschuiven. Hoe kijkt u daartegenaan?
“Je moet in de eerste plaats appels en peren niet gaan vergelijken. DBFM is niet zomaar duurder, precies omdat je naar een beschikbaarheidsvergoeding kijkt. Die vergoeding omvat niet alleen de klassieke bouwkost, maar ook financiering, prestaties gedurende de looptijd, risico’s en dertig jaar onderhoud. Je spreekt dus over een levenscyclusbenadering en niet over een pure investeringskost.
Ik ben het er wel mee eens dat DBFM organisatorisch en contractueel zwaar is. Voor een klein, geïsoleerd project kan dat onverantwoord en onbetaalbaar zijn. De sterkte van DBFM zit net in een programmatische aanpak, repetitieve processen en centrale professionele ondersteuning. Ik denk dat kleine schoolbesturen er baat bij hebben dat ze worden ontzorgd. Je moet een onderscheid maken tussen scholen maken en alle randtaken rond een schoolgebouw. De directeur moet zich in de eerste plaats kunnen bezighouden met de pedagogische doelstellingen en de onderwijsambities. Wij kunnen in overleg met hem of haar zorgen voor het gebouw. Een DBFM-school vergelijken met alleen de bouwsom is voor mij alsof je de prijs van een auto vergelijkt met alleen de aankoopprijs van de motor.”
De kunst is niet om ambities weg te besparen, maar om ze zo slim mogelijk te behouden en tegelijk betaalbaar te maken, zowel in bouw als in onderhoud.
Bouwkosten, rente, personeelstekorten en faillissementen maken de bouwmarkt vandaag behoorlijk onzeker. Hoe risicovol is dat voor Scholen van Vlaanderen?
“Het marktrisico is reëel, maar dat geldt voor iedereen die vandaag of morgen wil bouwen. De vraag is of je een partij vindt die het wil doen binnen de vastgestelde prijs en of wat je uiteindelijk krijgt kwalitatief voldoet aan wat je hebt beschreven. Daarom is het belangrijk om haalbare zaken op de markt te plaatsen. Transparante informatie en zeer vroege marktbetrokkenheid zijn daarbij essentieel. De aannemers zijn nu pas formeel betrokken bij het programma, maar we hebben al in september en oktober 2024 uitgebreid met de markt gecommuniceerd over wat eraan kwam en hoe de methodiek eruit zou zien. Modulariteit kan helpen op het vlak van kwaliteit en planning, maar voor mij is het nog altijd geen wondermiddel. Tot iemand het tegendeel bewijst, blijft een school in grote mate maatwerk. Dat komt door de pedagogische organisatie én door de locatie. Ik zou zeggen: standaardiseer wat onzichtbaar en herhaalbaar is, vooral het procesmatige. Alles wat nodig is voor de leerling en waar de leerling of leerkracht het verschil van voelt, vraagt eerder maatwerk.”
Het Masterplan Scholenbouw 2.0 voorziet ruim drie miljard euro. Is dat voldoende voor de toestand van het scholenpatrimonium?
“Drie miljard is een zeer belangrijk en groot bedrag. Het geeft heel wat scholen perspectief en dat is op zich al een groot verschil. De vraag is vooral hoe we dat geld maximaal laten renderen. Gebruik het bij voorkeur voor integrale, toekomstgerichte ingrepen en doe dat met professioneel opdrachtgeverschap. Vermijd vooral dat budgetten verdwijnen in opeenvolgende noodreparaties: dit jaar een toilet, volgend jaar iets anders en daarna nog iets. Om na tien jaar vast te stellen dat je eigenlijk toch moet afbreken en opnieuw beginnen. Misschien is drie miljard noodzakelijk en indrukwekkend tegelijk, en misschien is er nog meer nodig. Het is in elk geval geen eindpunt. Maar doe het wel professioneel.”
Veel scholen worden buiten de schooluren gebruikt door verenigingen. Hoe past dat binnen Scholen van Vlaanderen?
“Medegebruik was ook bij Scholen van Morgen al belangrijk. Destijds werd ongeveer 80 procent van de scholen ingezet voor een vorm van breed gebruik. Natuurlijk is de vraag hoe breed en hoe intensief dat gebruik is. Maatschappelijk vind ik het logisch dat sportzalen, auditoria, refters en speelplaatsen ook na de lesuren door de buurt kunnen worden gebruikt. In Scholen van Vlaanderen is het contractueel voorzien dat scholen openstaan voor medegebruik. Dat heeft wel gevolgen voor het ontwerp. Je moet vooraf met het schoolbestuur bekijken hoe mensen bijvoorbeeld bij de sporthal komen. Mogen ze door de hele school circuleren? Welke toegangen worden gebruikt? De circulatie en toegangen moeten daarop worden afgestemd. Daarnaast is er de impact op onderhoud en energie. Als een lokale basketclub elke avond en het hele weekend komt trainen en wedstrijden speelt, is dat iets anders dan wanneer een sporthal grotendeels leegstaat. Dat heeft bijvoorbeeld gevolgen voor luchtgroepen en verlichting. Je moet ook bepalen wie het beheer opneemt en hoe je de kwaliteit bewaakt. Het is gemakkelijk om te zeggen dat je een sporthal aan een basketclub ter beschikking stelt, maar je wilt niet dat de douches op maandagochtend vuil of beschadigd zijn. Een brede school moet haar deuren kunnen openen voor de buurt. Het contract moet alleen weten wie ze ’s avonds weer sluit.”
Speelt circulair bouwen een belangrijke rol in de nieuwe projecten?
“Zeker. Duurzaamheid en circulariteit waren al evaluatiefactoren bij de keuze van de architecten. Kandidaten moesten bij hun kandidaatstelling een visienota indienen over onder meer duurzaamheid en circulariteit, en dat per school. Geen document dat je voor vijf scholen even kopieert. Ook bij de materiaalkeuzes kijken we naar levensduur, vervangbaarheid, aanpasbaarheid en demonteerbaarheid. Daarnaast vragen financiers dat projecten beantwoorden aan de Europese taxonomie. Dat legt ook op het vlak van ESG, circulariteit en duurzaamheid de lat hoger. Een materialenpaspoort kan nuttig zijn als ondersteuning voor het beheer en voor toekomstige beslissingen. Maar het mag geen digitaal verzamelalbum worden dat je binnen dertig of veertig jaar misschien nog eens bovenhaalt. Dan moet het nog leesbaar zijn en moet iemand er ook daadwerkelijk iets mee kunnen doen. Ik denk soms zelfs dat een digitaal paspoort interessanter zou zijn voor gebouwen die de komende vijf jaar worden afgebroken. Dan kun je die informatie onmiddellijk gebruiken om materialen elders opnieuw toe te passen. Het onmiddellijke effect is daar veel groter dan bij een nieuw gebouw dat je misschien pas over twintig of dertig jaar gaat aanpassen.”
Welke vraag stelt niemand u, terwijl ze volgens u wél belangrijk is?
“Men stelt mij nooit een vraag over de kostprijs. Niet de kostprijs van de bouw, maar die andere kostprijs: wat is de kostprijs voor de samenleving als we een slechte schoolomgeving hebben? We rekenen heel nauwkeurig uit wat een investering kost, hoeveel euro per vierkante meter bijvoorbeeld. Maar we berekenen zelden wat het kost als we niets doen. Als je niets doet, krijg je bijvoorbeeld slechte akoestiek, oververhitting, te weinig daglicht en weinig flexibiliteit. Leerkrachten worden extra belast en uiteindelijk heeft dat allemaal een maatschappelijke kost. We moeten dus niet alleen vragen hoeveel een school vandaag kost, maar ook welke maatschappelijke waarde ze de komende tien, twintig of dertig jaar creëert. Misschien moet de vraag daarom niet zijn: ‘Kunnen we ons een goede school veroorloven?’ De eerlijkere vraag is: ‘Kunnen we ons nog een slechte school veroorloven?’”
U wilde zelf nog een boodschap toevoegen over de verhouding tussen publieke en private partners. Welke rol ziet u daar?
“De discussie mag volgens mij niet gaan over publiek of privaat. De vraag moet zijn: hoe kunnen we samen sneller tot betere scholen komen? Iedereen heeft daarin zijn rol. De overheid moet zorgen voor visie, governance en doelstellingen. De private sector kan zorgen voor financiering, uitvoeringskracht en langetermijndenken. Volgens mij is die combinatie goud waard, op voorwaarde dat iedereen vanuit zijn sterkste eigenschap en expertise (samen)werkt.”
Als u het hele verhaal van Scholen van Morgen en Scholen van Vlaanderen in drie boodschappen zou moeten samenvatten?
“Eerst en vooral: maatwerk en schaal kunnen zeker samengaan. Ten tweede: DBFM is een langetermijnverhaal en een langetermijnvisie. Het is geen bouwdossier. En ten derde: een schoolgebouw is in de eerste plaats een instrument voor beter onderwijs.”